Een aannemer die woningen renoveert, schakelt daarbij onderaannemers in. In 2012 en 2013 werkt hij eerst samen met CV1 en later met Ltd1. Begin 2014 voert de Belastingdienst een derdenonderzoek uit bij de aannemer. In het controlerapport staat dat de aftrek van voorbelasting in deze situatie wordt geaccepteerd, ondanks dat de verleggingsregeling toegepast had moeten worden. Daarbij geldt wel een belangrijke voorwaarde: Ltd1 moet de gefactureerde omzetbelasting correct aangeven en afdragen. Als later blijkt dat dit niet gebeurt en de aannemer daarvan op de hoogte is, kan de Belastingdienst de voorbelasting alsnog naheffen. Ook moet de aannemer vanaf dat moment de verleggingsregeling toepassen. Kort na het uitbrengen van het rapport is de aannemer de verleggingsregeling gaan toepassen.

Naheffing en beroep

Nadat CV1 is ontbonden en Ltd1 is gefailleerd, start de Belastingdienst een boekenonderzoek bij de aannemer. Dit leidt in 2018 tot naheffingsaanslagen omzetbelasting, belastingrente en een vergrijpboete. Volgens de inspecteur is de verleggingsregeling ten onrechte niet toegepast en heeft de aannemer onvoldoende zorgvuldig gehandeld.

De aannemer beroept zich op het controlerapport uit 2014. De rechtbank geeft hem gelijk en vernietigt de naheffingsaanslagen, de belastingrente en de boetes. De inspecteur gaat vervolgens in hoger beroep. Het hof oordeelt dat de rechtbank de beroepen terecht ontvankelijk verklaart, ondanks een lichte termijnoverschrijding bij het indienen van de beroepsgronden.

Reikwijdte toezegging 

Het hof stelt vast dat de aannemer mag vertrouwen op de toezegging in het controlerapport van 2014. Volgens het hof is die toezegging niet zo duidelijk in strijd met de wet dat de aannemer had moeten begrijpen dat de inspecteur deze niet zou nakomen.

Daarnaast kan de inspecteur niet aantonen dat de aannemer wist dat de onderaannemers de verschuldigde btw niet aangeven en afdragen. Daarom geldt de toezegging volgens het hof ook voor de btw die CV1 in rekening brengt, hoewel deze onderneming niet expliciet in het rapport wordt genoemd. Als de inspecteur daarvoor een uitzondering had willen maken, had hij dit duidelijk moeten vermelden.

Voor de periode de datum van het controlerapport geldt het vertrouwensbeginsel echter niet. In het rapport staat namelijk duidelijk dat vanaf dat moment geen btw meer op de facturen mag worden vermeld en dat de verleggingsregeling moet worden toegepast. Voor die periode kan de Belastingdienst daarom wel naheffen. De naheffingsaanslag wordt om die reden verminderd. Een beroep van de inspecteur op interne compensatie wijst het hof af, omdat dit afbreuk zou doen aan het vertrouwensbeginsel.

Negatieve proceshouding 

De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding verdubbeld en een vergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Het hof bevestigt dit, omdat de inspecteur het standpunt over de vergrijpboete tegen beter weten in heeft gehandhaafd. Ook de 'negatieve proceshouding' van de inspecteur, zoals formalisme en gebrek aan empathie, rechtvaardigt de hogere vergoeding. Gelet op de (financiële) invloed van een belastingprocedure zoals deze op een belastingplichtige, had een minder formalistische proceshouding van de inspecteur voor de hand gelegen.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:889 | 24-03-2026