Een Pools bedrijf stelt personeel ter beschikking aan derden in Nederland, voornamelijk voor steigerbouw. De werknemers zijn fiscaal inwoner van Polen en werken tijdelijk in Nederland. Het bedrijf werft de werknemers in Polen en regelt huisvesting in Nederland. Een deel van de werknemers zorgt zelf voor huisvesting en ontvangt daarvoor een extra vergoeding. Het bedrijf betaalt Nederlandse btw over de gehuurde woningen en vraagt deze btw terug. De Belastingdienst wijst de verzoeken om teruggaaf af.

Uitsluiting aftrek en bijzondere omstandigheden

De aftrek van btw is uitgesloten wanneer goederen en diensten worden gebruikt voor het huisvesten van personeel. Het bedrijf vindt dat sprake is van ‘bijzondere omstandigheden’, waardoor deze uitsluiting niet geldt. Volgens de Hoge Raad is daarvan sprake als de kosten vooral in het belang van de onderneming worden gemaakt en het persoonlijke voordeel voor de werknemer ondergeschikt is. Dat betekent dat het voor de onderneming noodzakelijk moet zijn om de huisvesting te regelen en dat werknemers geen keuze mogen hebben. Het bedrijf stelt dat het noodzakelijk is om buitenlandse werknemers in te zetten en dat het daarom zelf huisvesting moet verzorgen.

Keuzemogelijkheid huisvesting

De rechtbank vindt aannemelijk dat het regelen van huisvesting belangrijk is voor de bedrijfsvoering. Het bedrijf heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat werknemers de aangeboden huisvesting zonder een vorm van keuze moeten accepteren. Zo’n verplichting staat niet in de arbeidsovereenkomsten. Dat er twee groepen werknemers zijn, een groep die gebruikmaakt van de huisvesting en een groep die zelf huisvesting regelt, wijst volgens de rechtbank juist op een keuze. De stelling dat het in de praktijk niet mogelijk is om zelf huisvesting te regelen, is niet onderbouwd en niet aannemelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding om een buitenlandse werkgever anders te behandelen dan een Nederlandse. Daarom is geen sprake van bijzondere omstandigheden die de aftrek van btw mogelijk maken.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:3246 | 20-04-2026