Een bv, actief in de groothandel van alcoholhoudende dranken, wordt opgericht volgens Nederlands recht. Hoewel de bv statutair in Nederland is gevestigd, woont haar directeur en enig aandeelhouder in het buitenland. Voor haar werkzaamheden maakt de bv gebruik van een accijnsgoederenplaats en een douane-entrepot, met ondersteuning van een Nederlandse logistieke dienstverlener. Begin 2017 stelt de Belastingdienst vast dat de bv een buitenlandse ondernemer is, omdat zij geen vaste inrichting in Nederland heeft.

In 2019 controleert de Belastingdienst de door de bv ingediende aangiften omzetbelasting. Hierin heeft de bv het nultarief toegepast voor leveringen van accijnsgoederen. De Belastingdienst stelt echter dat de bv dit tarief niet mag gebruiken, omdat zij geen fiscaal vertegenwoordiger heeft aangesteld.

Discriminatie

Het hof oordeelt dat de verplichting voor buitenlandse belastingplichtigen om een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen discriminerend is. Het hof stelt dat deze verplichting in strijd is met het Unierecht, omdat ze buitenlandse ondernemers anders behandelt dan Nederlandse ondernemers. Nederlandse belastingplichtigen hoeven namelijk niet te voldoen aan deze eis, terwijl buitenlandse ondernemers hierdoor extra kosten en formaliteiten krijgen opgelegd. Dit creëert een oneerlijke concurrentiepositie.

Verder dan noodzakelijk

Daarnaast vindt het hof dat de discriminatie niet gerechtvaardigd kan worden met het argument van bestrijding van fraude of het vergemakkelijken van belastinginning. Uit Europese jurisprudentie blijkt dat dergelijke maatregelen alleen toegestaan zijn wanneer ze proportioneel zijn en nauw aansluiten op het doel. Het hof oordeelt dat de verplichting om een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen verder gaat dan noodzakelijk. Er zijn alternatieve oplossingen binnen de Europese regelingen voor wederzijdse bijstand, die minder belastend zijn voor buitenlandse ondernemers.

Vermoeden van fraude 

Het hof benadrukt dat een algemeen vermoeden van fraude niet kan dienen als rechtvaardiging voor zo’n verplichting. Omdat de bv aan alle materiële voorwaarden voor het nultarief voldoet, mag het nultarief niet worden afgewezen op basis van het ontbreken van een fiscaal vertegenwoordiger.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:139 | 02-03-2026