Een administratiekantoor vraagt in januari 2019 teruggaaf van btw over onbetaalde facturen uit de periode 2001 tot en met 2017. De inspecteur wijst het verzoek af. Het kantoor heeft de teruggaaf niet via de aangifte aangevraagd, maar via een aparte brief. De inspecteur beschouwt die brief als een te laat ingediend bezwaarschrift.
Wat is er aan de hand?
Het administratiekantoor verleent sinds 2001 diensten aan vier bedrijven van dezelfde ondernemer. Vanaf 2006 betalen de bedrijven geen facturen meer. Toch blijft het kantoor tot augustus 2017 facturen uitreiken met btw en draagt het deze btw ook af. In november 2018 verzoekt het kantoor om teruggaaf van de btw over alle onbetaalde facturen. De inspecteur ontvangt die brief op 7 januari 2019. De inspecteur behandelt de brief niet als teruggaafverzoek.
Per 1 januari 2017 is de manier waarop een btw-teruggaaf bij niet-betaling moet worden aangevraagd gewijzigd. Het bedrag moet in mindering gebracht worden in de aangifte voor het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Een apart verzoek voldoet niet aan deze vormeis. Het kantoor stelt dat de inspecteur bij andere klanten wel verzoeken per brief accepteert. De rechtbank gaat hier niet in mee omdat de inspecteur dit betwist en het kantoor geen concrete feiten overlegt.
Waarom is het bezwaar te laat?
De inspecteur beschouwt de brief als bezwaarschrift tegen de voldoening op aangifte over het derde kwartaal van 2018. De laatste facturen dateren van 9 augustus 2017 en zijn op 7 september 2017 opeisbaar geworden. Het recht op teruggaaf ontstaat uiterlijk een jaar later. Die teruggaaf had het kantoor moeten verwerken in de aangifte over het derde kwartaal van 2018. Het bezwaarschrift komt pas op 7 januari 2019 binnen. De stelling dat al in november 2018 een brief met dezelfde strekking is overhandigd, slaagt niet. Het afschrift zonder ontvangststempel is onvoldoende bewijs.
Voor de facturen van vóór 1 januari 2017 gold een andere regel. Het recht op teruggaaf ontstond zodra redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de schuldenaar niet zou betalen. Vanaf 2006 betaalden de vier bedrijven niets meer. Uiterlijk in 2008 is duidelijk dat de betaling uitblijft. Voor facturen na 2008 staat bij uitreiking vast dat ze nooit zouden worden betaald. Het administratiekantoor had de teruggaaf in eerdere tijdvakken moeten verwerken.
De inspecteur wijst ook het verzoek om ambtshalve vermindering af. Een ambtshalve beslissing bij omzetbelasting is geen voor bezwaar vatbare beschikking. Daartegen staat geen beroep open bij de belastingrechter. De civiele rechter is bevoegd.