De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU (HvJ) over de toepassing van subjectgebonden vrijstellingen door een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Uit rechtspraak van het HvJ over de fiscale eenheid is af te leiden dat alle belastbare prestaties, die de leden van de eenheid jegens derden verrichten, voor btw-doeleinden worden aangemerkt als prestaties van de fiscale eenheid als de enige belastingplichtige. Daaruit valt niet af te leiden of dit ook geldt wanneer aan de toepassing van een vrijstelling subjectgebonden voorwaarden zijn verbonden.
De betreffende fiscale eenheid is actief in de gezondheidszorg en omvat vijf rechtspersonen. Slechts één van deze rechtspersonen is een erkende instelling voor intramurale zorg. Deze rechtspersoon voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling van omzetbelasting voor ziekenhuisverpleging en medische verzorging en daarmee samenhangende handelingen. Ook de door deze rechtspersoon verrichte leveringen en diensten van sociale aard zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Een andere tot de fiscale eenheid behorende rechtspersoon verleent 24-uursdiensten, bestaande uit het houden van toezicht en het waarborgen van de bereikbaarheid van de zorgorganisatie. Deze diensten worden ook buiten de fiscale eenheid verleend aan andere zorginstellingen. Deze rechtspersoon voldoet niet aan alle voorwaarden voor vrijstelling van omzetbelasting.
De vraag is of deze diensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting omdat op het niveau van de fiscale eenheid moet worden beoordeeld of aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Hof Den Bosch is van oordeel dat dit het geval is.
De Hoge Raad acht de opvatting van Hof Den Bosch verdedigbaar, maar plaatst de kanttekening dat de reikwijdte van de vrijstelling daardoor wordt verruimd. Aangezien vrijstellingsbepalingen strikt moeten worden uitgelegd, betwijfelt de Hoge Raad of deze verruiming verenigbaar is met het karakter van vrijstellingen. De opvatting dat voor toepassing van subjectgebonden voorwaarden elk lid van een fiscale eenheid afzonderlijk moet worden beoordeeld, is volgens de Hoge Raad ook verdedigbaar.
De Hoge Raad heeft de volgende vragen aan het HvJ voorgelegd:
1. Zijn subjectgebonden vrijstellingen slechts van toepassing voor zover zij binnen een fiscale eenheid jegens derden worden verricht door een juridisch zelfstandig lid van de eenheid dat aan alle voorwaarden voor toepassing daarvan voldoet?
2. Als dat niet het geval is, volstaat dan dat slechts één juridisch zelfstandig lid van de fiscale eenheid voldoet aan alle voorwaarden voor toepassing van de vrijstellingsbepalingen?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de uitspraak van het HvJ.