Mits aan de materiële en formele voorwaarden is voldaan, is het nultarief voor de omzetbelasting van toepassing op intracommunautaire leveringen van goederen aan een in een andere lidstaat gevestigde ondernemer. De Belastingdienst weigert de toepassing van het nultarief voor een intracommunautaire levering bij fraude of misbruik, ook al is aan de voorwaarden voor toepassing voldaan. De Belastingdienst dient aan de hand van objectieve gegevens te bewijzen dat een ondernemer btw-fraude heeft gepleegd of dat hij wist of had moeten weten dat hij met zijn transacties onderdeel was van fraude.

De Hoge Raad oordeelde in 2018 dat voor het weigeren van het nultarief moet worden vastgesteld hoe de leveringsketen was ingericht en welke plaats de ondernemer in die keten innam. Ook moet worden bepaald in welke schakels van die keten btw-fraude is gepleegd en wat die inhield. Daarnaast moet worden beoordeeld dat de ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.

In een procedure over een naheffingsaanslag omzetbelasting wegens fraude heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de ondernemer wist of had moeten weten dat sprake was van btw-fraude in de handelsketens waarvan hij deel uitmaakte. De ondernemer heeft niet de vereiste zorgvuldigheid betracht om te voorkomen dat hij betrokken zou raken bij btw-fraude.

De ondernemer handelde in gebruikte metalen. Die gelden als risicogoederen. Een professionele handelaar in dergelijke goederen dient zich daarvan bewust te zijn en extra zorgvuldig te handelen. Dat kan door onderzoek te doen naar afnemers. De ondernemer had dat nagelaten. Had hij dit gedaan, dan was duidelijk geworden dat zijn afnemers in het VK niet beschikten over de daar voor hun activiteiten vereiste registratie en vergunning. Ook de omstandigheid dat goederen op andere adressen moesten worden afgeleverd dan het vestigingsadres van de afnemer vormde een indicatie voor mogelijke btw-fraude. Dat gold ook voor het feit dat de ondernemer betalingen voor deze leveringen pas ontving nadat zijn afnemers waren betaald.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Belastingdienst terecht de toepassing van het nultarief geweigerd en de naheffingsaanslag opgelegd.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2025:4628, SGR 23/5136 | 03-03-2025