Een stichting die primair onderwijs aanbiedt, wil deel uitmaken van een fiscale eenheid (fe) btw met drie stichtingen die kinderopvang verzorgen. De inspecteur wijst het verzoek daartoe af. Hoewel de stichtingen economisch en organisatorisch verweven zijn, is er onvoldoende financiële verwevenheid.

Argumenten voor financiële verwevenheid

De onderwijsstichting voert diverse argumenten aan. Zo hebben alle stichtingen dezelfde doelstelling en bestaat er een personele unie: hetzelfde bestuur en dezelfde raad van toezicht. Dit bestuur neemt belangrijke financiële besluiten, zoals het vaststellen van begrotingen en jaarrekeningen. Ook is er sprake van een huurrelatie en onderlinge dienstverlening ter waarde van ongeveer € 2.254.000 over de afgelopen tien jaar. Daarnaast kopen de stichtingen gezamenlijk diensten in en maken zij een gezamenlijke begroting voor bepaalde kosten.

Financiële zeggenschap 

Het hof oordeelt dat de onderwijsstichting niet aannemelijk maakt dat er financiële verwevenheid is. Een gedeelde doelstelling, een personele unie of gezamenlijke besluitvorming betekent niet dat de financiële posities van de stichtingen in een gewenste onderlinge verhouding kunnen worden gebracht. De onderlinge dienstverlening is van geringe omvang (0,004% tot 0,007% van de rijksbijdrage) en vindt plaats tegen marktconforme voorwaarden. Bovendien beperken de statuten van de stichtingen en de overheidsvoorschriften de mogelijkheden om middelen vrijelijk tussen de stichtingen te verschuiven. Hierdoor ontbreekt de noodzakelijke financiële zeggenschap om een fiscale eenheid te vormen. 

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1843 | 14-07-2026