Een man, vertegenwoordiger in houten vloeren, ontvangt tussen 2014 en 2017 ruim € 1,4 miljoen op zijn privérekening. Volgens hem is dat geld van zijn Belgische werkgever en verricht hij zelf geen enkele levering. De inspecteur denkt daar anders over, merkt hem aan als ondernemer en heft € 246.305 btw na, plus een verzuimboete en een vergrijpboete. De rechtbank volgt de inspecteur omdat de man geen stukken heeft die zijn verhaal steunen. 

Geld op de privérekening

Tot februari 2017 werkt de man als vertegenwoordiger voor een Belgische fabrikant van parket en houten elementen. Omdat die fabrikant geen Nederlandse bankrekening aanhoudt, betalen klanten rechtstreeks op de privérekening van de man. Dat loopt op: in vier jaar komen daar 651 bijschrijvingen binnen die vloeren, lak en lijm noemen. Vanaf diezelfde rekening voldoet hij bovendien inkopen, transport, huur van bedrijfsruimte en lonen. Pas eind 2017 komt de inspecteur hem op het spoor, via een renseignement over één factuur.

Voorschot of eigen omzet

De belastingplichtige houdt vol dat hij uitsluitend voor zijn werkgever int en soms een vloer voorschiet, zodat een klant sneller wordt geholpen. De stukken die hij daarbij opmaakt, zijn in zijn ogen voorlopige bevestigingen. De echte factuur komt later uit België. Daar stelt de inspecteur de uitkomst van drie derdenonderzoeken tegenover. Die afnemers betalen hem zevenenvijftig keer op tachtig facturen met btw, gesteld op naam van de eenmanszaak van zijn zoon, terwijl facturen van de fabrikant bij hen volledig ontbreken.

Voor wiens rekening?

Volgens de wet is beslissend wie zelfstandig een bedrijf uitoefent. De rechtbank oordeelt dat de man daaraan voldoet, omdat zijn lezing nergens op de stukken aansluit. Bewijzen van afstorting ontbreken en de nummers en bedragen op de Belgische facturen laten zich niet koppelen aan de betalingen. Veelzeggend is bovendien dat hij ook na het faillissement van de fabrikant (in maart 2017) nog 125 betalingen van samen € 305.444 ontvangt. Los daarvan geldt dat wie omzetbelasting op een factuur vermeldt, die ook moet voldoen.

Geen aangifte, zwaardere bewijslast

Ook in hoogte blijven de naheffingen overeind. Wie binnen de aangiftetermijn niet gemotiveerd laat weten waarom hij buiten de heffing meent te vallen, doet niet de vereiste aangifte. De bewijslast wordt dan omgekeerd en verzwaard. Tegen de schatting op basis van zijn bankmutaties brengt de man vervolgens niets in.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:8012 | 19-08-2026