Een man verkoopt zijn woning en koopt vervolgens een maisonnette in een appartementencomplex. Kort na de levering komt de man vast te zitten in een van de liften van het appartementencomplex. Omdat hij al langer last heeft van claustrofobie, ervaart hij dit als een zeer ingrijpende gebeurtenis. Uiteindelijk besluit hij de woning niet te gaan bewonen en verkoopt hij deze enkele maanden later. 

De Belastingdienst vindt dat de woning niet als hoofdverblijf is gebruikt en legt een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op. Daarbij wordt alsnog het algemene tarief van 10,4% toegepast. De man stelt dat sprake is van een onvoorziene omstandigheid. Door zijn gezondheidsproblemen heeft hij moeite met traplopen en is hij grotendeels afhankelijk van de lift. Het vastzitten in de lift heeft volgens hem zijn bestaande claustrofobie zodanig versterkt dat het voor hem niet meer mogelijk was om in de woning te gaan wonen. Daarom vindt hij dat hem niet kan worden verweten dat de woning niet als hoofdverblijf is gebruikt.

Dat een lift incidenteel een storing heeft of tijdelijk blokkeert, is volgens de rechtbank een normaal risico dat bij het gebruik van een lift hoort. Het vastzitten in de lift is daarom geen bijzondere of onvoorziene omstandigheid. De rechtbank begrijpt dat de gebeurtenis voor de man, gelet op zijn claustrofobie, erg vervelend en ingrijpend is geweest. Toch maakt dit het oordeel niet anders. De claustrofobie bestond namelijk al vóór de aankoop van de woning. Daarnaast is niet gebleken dat sprake was van structurele problemen, onveilige situaties of gebreken aan de liften. Volgens de rechtbank is er geen sprake van een situatie waarin de man redelijkerwijs niet in staat was om de woning als hoofdverblijf te gebruiken.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:6282 | 14-07-2026