Een man en vrouw kopen in 2022 een woning. Ze zijn beiden jonger dan 35 jaar en verklaren de woning als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Hiermee doen ze een beroep op de startersvrijstelling. Kort na de aankoop blijkt dat de woning gesloopt en herbouwd wordt. De man en vrouw schrijven zich pas in 2024 in op het adres van de nieuwbouw. De inspecteur legt een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, omdat volgens hem niet aan de voorwaarden van de startersvrijstelling is voldaan.
Startersvrijstelling
De inspecteur stelt dat de startersvrijstelling niet van toepassing is, omdat de 'verkregen woning' door de sloop tenietgaat en dus niet als hoofdverblijf kan dienen. De man en vrouw zijn van mening dat de vrijstelling wel van toepassing is. Zij stellen dat hun situatie vergelijkbaar is met de aankoop van grond met fundering voor nieuwbouw, of een bouwval die gerenoveerd wordt. In die gevallen is de vrijstelling wel van toepassing.
Hoofdverblijf
Het hof oordeelt dat de overdrachtsbelasting een tijdstipbelasting is. De man en vrouw hadden de intentie om de verkregen woning volledig te slopen en nieuwbouw te plegen en hebben dit ook uitgevoerd. In zo'n geval is niet voldaan aan het hoofdverblijfcriterium, omdat de oude woning, inclusief de fundering, is opgehouden te bestaan en niet meer bewoond kan worden. Het hof stelt dat het onderscheid op basis van het behoud van de fundering een toegestaan, niet-discriminerend onderscheid is, zoals ook eerder door de Hoge Raad is geoordeeld.