De vennoten van een cv verkrijgen in 2018 een voormalig kantoorgebouw dat is getransformeerd tot een hotel. De verkoper heeft het gebouw in 2015 gekocht en vervolgens ingrijpende werkzaamheden laten uitvoeren, waaronder sloop tot op het betonskelet, vervanging van infrastructuur en installaties, en aanpassingen aan de dak- en gevelconstructie. De vennoten betalen overdrachtsbelasting, maar maken bezwaar omdat zij menen dat de samenloopvrijstelling van toepassing is. Dit zou betekenen dat de levering van het gebouw met btw is belast, omdat de verbouwing een 'vervaardigd goed' heeft voortgebracht.
Het criterium 'in wezen nieuwbouw'
De vennoten stellen dat de verbouwing heeft geleid tot een 'vervaardigd goed' in de zin van de wet, omdat de bouwkundige identiteit en uiterlijke herkenbaarheid van het gebouw zijn gewijzigd. Zij verwijzen naar de omvang van de investeringen en de constructieve ingrepen. De inspecteur is van mening dat de constructieve aanpassingen te beperkt zijn om van een 'vervaardigd goed' te spreken.
Geen nieuw gebouw
Het hof oordeelt dat de verbouwing niet dusdanig ingrijpend is geweest dat in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. De kosten voor constructieve ingrepen bedragen slechts ongeveer 6% van het totale bouwbudget. Ook de functiewijziging en de omvang van de investeringen zijn niet doorslaggevend. Het hof bevestigt dat het nationale criterium 'in wezen nieuwbouw' in overeenstemming is met de btw-richtlijn, die een ondergrens stelt en lidstaten toestaat om strengere voorwaarden te hanteren. Een ruimere Unierechtelijke uitleg is niet mogelijk, omdat de nationale wet het begrip 'eerste ingebruikneming' expliciet koppelt aan het 'vervaardigd goed'.