Transparantie in overdrachtsbelastingland!

In 2011 (10 juni 2011, zaaknummer 10/00498) kende de Hoge Raad de samenloop vrijstelling overdrachtsbelasting toe bij de overdracht van aandelen in een vastgoedlichaam. Inmiddels heeft Hof Arnhem-Leeuwarden op 15 augustus 2017 (zaaknummer 16/01058)  de uitspaak van  Rechtbank Noord-Nederland van 12 juli 2016 (zaaknummer AWB – 15 _ 4030) bevestigd ten aanzien van de vrijstelling overdrachtsbelasting bij bedrijfsopvolging in de familiesfeer, waarbij de overdracht plaats had via aandelenoverdracht.

Inleiding

De overdrachtsbelasting kent een aantal vrijstellingen, zoals de samenloop met BTW bij levering van een nieuw goed en bij overdracht van vastgoed als onderdeel van een bedrijfsoverdracht binnen de familiesfeer.

Daarnaast bestaat specifieke wetgeving om overdrachtsbelasting te kunnen heffen als vastgoed van eigenaar verandert via de overdracht van aandelen in een rechtspersoon. Dit betreft de zogenoemde vastgoedlichamen zoals geregeld in artikel 4 van de WBR.

De vrijstellingen in de overdrachtsbelasting zijn naar de letterlijke tekst bezien echter niet gericht op het vrijstellen van de overdracht van vastgoed via een vastgoedlichaam. De rechtspraak lijkt echter steeds meer de kant op te gaan, dat een dergelijke vrijstelling voor vastgoedlichamen wel past in doel en strekking van de wetgeving.

2011; Vrijstelling bij bouwterreinen

In 2011 lag er een zaak voor bij de Hoge Raad waarbij de aandelen van een vastgoedlichaam werden overgedragen. Uit het arrest blijkt dat de bezittingen van het vastgoedlichaam hoofdzakelijk bestonden uit twee percelen onbebouwde grond die ingevolge artikel 11, lid 4, van de Wet OB voor de toepassing van artikel 11, lid 1, letter a, van de Wet OB als bouwterreinen worden beschouwd.

De Hoge Raad overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis van de samenloopvrijstelling blijkt dat de vrijstelling in de tweede plaats is bedoeld om van overdrachtsbelasting vrij te stellen verkrijgingen van ‘nieuwbouw’, dat wil zeggen nieuwe nog ongebruikte onroerende zaken die zich bevinden in de bouw- en handelsfase en waarvan de levering belast is met omzetbelasting.

Deze wetsfictie heeft naar de Hoge Raad aangeeft echter geen verdere strekking dan te voorkomen dat door middel van het tussenschuiven van rechtspersonen de heffing van overdrachtsbelasting wordt ontgaan. Volgens de Hoge Raad is niet beoogd dergelijke verkrijgingen met overdrachtsbelasting te belasten voor zover de verkrijging van de losse onroerende zaak zelf buiten de heffing van overdrachtsbelasting zou blijven vanwege samenloop vrijstelling bij nieuw vastgoed.

Dientengevolge geldt ook een vrijstelling bij de overdracht van aandelen in een vastgoedlichaam voor zover daarbij geheven zou worden over de waarde van nieuwe nog ongebruikte onroerende zaken die zich bevinden in de bouw- en handelsfase, waaronder bouwterreinen.

Uit de formulering van de Hoge Raad lijkt te blijken dat er dus ook een gedeeltelijke vrijstelling overdrachtsbelasting zou kunnen gelden, als de eigendom zowel bestaat uit nieuw vastgoed voor de BTW als uit oud vastgoed. In dergelijke situaties zal er wel enig rekenwerk moeten plaatsvinden om uit de totaalprijs voor de aandelen het deel te herleiden dat toerekenbaar is aan het nieuwe vastgoed.

Transparantie bedrijfsoverdracht

Inmiddels lijkt zich op een ander vlak, namelijk bij de overdracht van een vastgoedlichaam in de familiesfeer, een vergelijkbare ontwikkeling te gaan voordoen. In artikel 15 lid 1 letter b van de WBR is een vrijstelling overdrachtsbelasting opgenomen voor vastgoed behorende tot een onderneming die wordt overgedragen binnen een bepaalde familiesfeer.

In een voorliggende zaak heeft Rechtbank Noord-Nederland namelijk in 2016 overwogen dat het de wetgever van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit erom te doen is geweest, een fiscale barrière te slechten die de bedrijfsopvolging binnen familiebedrijven kan frustreren. Daarbij heeft de wetgever niet expliciet bepaald dat het wegnemen van deze barrière alleen zou moeten gelden voor gevallen waarin een objectieve IB-onderneming wordt verkregen van een subjectieve IB-ondernemer. Het moet er daarom voor worden gehouden, dat de wetgever heeft beoogd om alle bedrijfsoverdrachten vrij te stellen die voldoen aan de materiële criteria voor het bestaan van een onderneming in de hiervoor bedoelde zin.

Vervolgens verwijst de rechtbank ook nog naar het eerder behandelde arrest van de Hoge Raad inzake de bouwterreinen en kent belastingplichtige een vrijstelling overdrachtsbelasting toe op de verkrijging van aandelen in aan vastgoedlichaam, waarin blijkbaar een materiële onderneming werd gedreven.

Inmiddels heeft het gerechtshof de uitspraak van de rechtbank dus bevestigd. Uiteraard is het afwachten hoe deze zaak zich verder gaat ontwikkelen.

Door |2019-01-23T06:22:09+00:00november 18th, 2017|Vastgoed|

About the Author:

Henk-Jan Steller
Henk Jan studeerde fiscaal recht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Hij is een eigenwijze gepassioneerde specialist met een geheel eigen aanpak. Recht door zee, to the the point en analytisch sterk. Henk Jan heeft ruime ervaring in de BTW-praktijk en heeft in 2006 BTW Nederland opgericht.